Docentschap als ambacht

Leerling, gezel en meester: docentschap als ambacht.

In 1975 werd ik docent geschiedenis op een school voor Havo en Vwo. Sindsdien heb ik veel zien veranderen in het onderwijs en in het schoolvak geschiedenis in het bijzonder. Soms overviel mij daarbij het gevoel dat met het badwater ook het kind werd weggegooid. Terwijl dat kind toch altijd in zijn diepste wezen hetzelfde is gebleven. Dat geldt zowel voor de leerling als de vakinhoud.

Al snel begeleidde ik op school geschiedenisstudenten die leraar wilden worden. Ik observeerde en leerde, aan hen en van hun. Want dat is in mijn ogen de kern van het docentschap: een wisselwerking tussen leren aan en leren van.

In 2005 kreeg ik naast mijn docentschap een nieuwe betrekking. Ik werd leraarsopleider aan de lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Groningen. Geschiedenisdidactiek werd mijn hoofdvak. Sindsdien heb ik tientallen studenten enerzijds onderwezen in de theorie van de geschiedenisdidactiek en algemene didactiek en anderzijds in de praktijk geobserveerd en gesproken tijdens lesbezoeken. Weer meen ik dat ik hen iets heb kunnen leren maar dat ik ook veel van hen heb geleerd.

Daarnaast ben ik betrokken bij een project waarbij ik in het Noorden van het land circa 150 docenten van allerlei vakken en leeftijden werkend in het Vmbo, Havo en Vwo observeer, spreek en zo hun ontwikkeling probeer te stimuleren.

Tenslotte heb ik samen met collega’s onderzoek verricht naar de doorlopende leerlijn in het vak geschiedenis van primair onderwijs, onderbouw en bovenbouw van het VO  en naar verschillende aspecten van het historisch redeneren en differentiëren in het geschiedenisonderwijs. Want zonder theorie geen praktijk, zonder praktijk geen theorie.

Ik heb mijn docentschap altijd als ambacht willen zien. Zoals de middeleeuwer het zou zeggen: ik was  leerling, werd gezel en daarna meester. Alleen ben ik ervan overtuigd geraakt dat je ook als meester-docent steeds bereid moet zijn leerling en gezel te blijven om een ware meester te kunnen zijn.